VSO 4B

Vanuit VSO 4B

Moed is iets anders dan niet bang zijn:
Moed is overwonnen angst, en herwonnen kracht

Kalmte kan je redden
Moed kun je verzamelen
Hulp mag je vragen
Kracht kun je krijgen

Dit zijn de thema’s waar we aan gewerkt hebben de afgelopen maand. In allerlei vormen kwam het ter sprake in onze klas en andere klassen. Ook werd in de weekopeningen het verhaal van de ridder Joris en de draak verteld, en naar aanleiding daarvan hebben we met elkaar een heuse draak gebouwd van afvalhout (pallets) en karton. Het houten lijf werd buiten, en bij regen in de kas, in elkaar gezet: er werd flink gesleept, gezaagd, en getimmerd. In de klas was een andere ploeg bezig met het maken van de kop. Na heel wat knip-, plak-, en nietwerk ontstond een woeste kop met grote tanden, drakenslijm en vlammen.
Zo nam het woeste beest steeds concretere vormen aan tot we uiteindelijk op maandag 1 oktober met het hele VSO achter de draak naar het “drakenveld” trokken (het voetbalveldje achter de school) om hem daar te bestrijden. Penja en Roy waren onze “ridders” en staken samen met meester Marcus en meester Edwin twee grote fakkels aan waarmee de draak in brand werd gestoken. Prinses Layla keek dapper toe.
Zo ging het beest onder luid gejuich van de leerlingen in vlammen op en bleef er alleen nog draken-as over. De volgende dag hebben we alles weer netjes aangeharkt en ingezaaid, zoals we in onze brief aan de buurtbewoners hadden beloofd.
Hier onder het verhaal van Joris en de draak zoals we dat in de weekopening hebben verteld.

Joris en de draak

Lang geleden was er in Libië, in Noord Afrika, een stad, Silena genaamd. Beschermd door dikke muren en torens, dachten de mensen van Silena: “Onze stad is de veiligste plek van wereld. Waar zouden wij bang voor zijn? Onze muren zijn zo sterk, hier kan ons niets gebeuren.”
Maar op een dag gebeurde het. Niet ver van de stad waren hoge bergen en dichte bossen. In een van de bergen was een diepe grot, en daarin woonde een draak.
Hij had lang geslapen in de krochten van de berg, maar plotseling ontwaakte hij. Met zijn staart sloeg hij op de rotsen zodat het ver en tot in de stad door dreunde. Hij spuwde rook en vuur, en de mensen schrokken hevig.
De draak had honger en wilde gevoerd worden door de mensen van de stad. “Wat moeten we hem nu toch geven?”, vroegen de mensen aan hun koning. Deze antwoordde: “Geef hem wat hij verlangt! Zorg ervoor dat hij tevreden is! Als hij maar verzadigd is, dan is het weer rustig.”
De mensen brachten al het voedsel dat ze hadden bij elkaar. De draak sperde zijn muil open en slokte alles op wat de mensen in zijn muil gooiden. Maar zijn honger was onverzadigbaar.
Erger nog, zijn vraatzucht werd met de dag erger. Nu waren graan, groenten en vlees niet meer genoeg, levend voedsel wilde hij hebben. Iedere dag bracht men hem twee schapen. Spoedig waren alle voorraden op; er was geen een schaap meer over, maar de draak was nog steeds niet verzadigd.
De mensen van Silena klaagden erover bij de koning. “Wat zullen we nu toch doen?”, vroegen zij hem. De bange en laffe koning gaf als antwoord: “Geef hem dan maar mensen”.
En zo wierpen de mensen in de stad iedere dag het lot, wie aan de draak geofferd moest worden, man of vrouw, jong of oud. Maar de draak was nog niet tevreden: hij wilde alleen nog jonge meisjes te eten krijgen. De stad was vervuld met gejammer en geklaag. De harten van de mensen waren zwaar door het verdriet.
Op een dag echter viel het lot op de koningsdochter. De koning was ontzet. Hij zou zo graag zijn dochter vrijkopen met goud en zilver. “De koningsdochter kon je toch niet naar de draak sturen?!” riep hij uit. Maar zijn volk bleef onverbiddelijk. Ook de koning moest de wet nakomen die hij zelf had uitgevaardigd.
De koningsdochter bleef kalm. Ze zette haar gouden kroon af en maakte haar gouden ceintuur los. “Kijk nu ben ik een jong meisje net als alle anderen” zei ze.
En zo verliet zij de stad. Ze was helemaal alleen en voelde zich heel eenzaam. “Ach, als er toch eens een uitweg zou zijn”, zuchtte ze. “Ik kan de draak niet verslaan zonder hulp, is er dan niemand die mij kan helpen?”
Nauwelijks had zij haar bange gedachten uitgesproken of er kwam in de verte een ridder op een groot, wit paard aanrijden. Hij droeg een groot schild, een lans en een enorm zwaard. Zijn naam was Joris. Hij stopte en vroeg de prinses: “Wat doe je hier buiten zo helemaal alleen? Kan ik helpen?” Het meisje riep huilend: “Vlucht, vlucht, anders zal je sterven!” Maar de ridder wilde niet weggaan voordat hij wist waarom zij zo bang was. Voordat zij kon antwoorden weerklonk een angstaanjagend gebrul. De draak had zijn hol in de bergen verlaten en kwam op Joris af. Hij spuwde vuur en zwavel. Sint Joris nam zijn grote zwaard, en riep uit alle macht de wijde wereld in: “wat ik nu ga doen is zo moeilijk en gevaarlijk dat ik alle hulp die op aarde en in de hemel bestaat kan gebruiken!”. Hij gaf het paard de sporen en reed met volle vaart op de draak af. Er begon een gevecht op leven en dood.
Joris, de ridder, liet zich niet leiden door zijn angst. Hij verzamelde alle moed die maar kon vinden en overwon zijn angst. Hij had zich nog nooit zo sterk gevoeld en hij hanteerde zijn zwaard snel en zeker. Zo heeft hij de draak voorgoed verslagen.
Alle mensen danken de ridder, en de koning wilde hem overladen met goud en zilver. Maar Joris liet de schatten onder de armen verdelen. Niet lang daarna trouwde hij met de prinses en werd een wijze koning.